Gedichten‎ > ‎

Robert Musil

Robert Musil: Man zonder eigenschappen
 
Teleurgestelde, nog levende ambitie doorkliefde hem als een zwaard. Twee Ulrichs liepen er op dat moment. De ene keek glimlachend om zich heen en dacht: “Hier heb ik dus ooit een rol willen spelen, tussen zulke coulissen als deze. Ik ben op een dag wakker geworden met de harde overtuiging iets tot stand te moeten brengen. Als van trillende plankenkoorts was toen alles vervuld van mijn eigen voornemens en verwachtingen. Maar on­gemerkt is intussen de vloer gedraaid, ik ben een eind  naar voren gekomen op mijn weg en sta misschien al bij de uitgang. Binnenkort zal hij mij eruit hebben gedraaid, en ik zal van mijn grote rol nog maar net hebben gezegd: "De duivel hale jullie allemaal!”

Maar terwijl de ene Ulrich met deze gedachten glimlachend door de zwe­vende avond liep, hield de andere zijn vuisten gebald, in pijn en woede; hij was de minst zichtbare, en waar hij aan dacht was een bezweringsformule te vinden, een handvat dat men misschien zou kunnen pakken, het ontbrekende, misschien maar kleine stukje dat de verbroken kring sluit. Deze tweede Ulrich vond geen woorden tot zijn beschikking. Woorden springen als apen van boom naar boom, maar in het donkere gebied waar men wortelt moet men hun vriendelijke bemiddeling ontberen. De grond stroomde onder zijn voeten. Hij kon zijn ogen nauwelijks opendoen. Kan een gevoel blazen als een storm en toch volstrekt geen stormachtig gevoel zijn? Als men het over een storm van het gevoel heeft, bedoelt men er een waarin de schors van de mens kraakt en de takken van de mens zwiepen, alsof ze zullen afbreken. Dit echter was een storm waarbij de oppervlakte heel kalm bleef. Bijna een toestand van bekering, van omkering. Ulrichs zintuigen waren helder, toch werd alles door het oog anders dan anders waargenomen. Ulrich dacht op dat moment aan het wonderlijke van zijn ervaring als aan een geliefde door wie men zijn leven lang bedrogen wordt zonder haar minder lief te hebben, en het verbond hem met alles wat op zijn weg kwam. Want als men liefheeft is alles liefde, ook als het pijn en afschuw is. Het twijgje aan de boom en het bleke raam in het avondlicht werden een diep in het eigen wezen ver­zonken ervaring, die zich nauwelijks in woorden liet uit­drukken. De dingen leken niet van hout en steen te zijn, maar uit een grandioze en oneindig tere immoraliteit te bestaan die op het moment waarop ze met hem in aanraking kwam een diepe morele schok werd.

Dit had de duur van een glimlach, en Ulrich bedacht net: 'Nu wil ik voor een keer eens blijven waarheen het me heeft gedragen,' toen het ongeluk wilde dat deze spanning tegen een hindernis te pletter sloeg.