Theodor Adorno

Minima Moralia. 1949. Binnen en buiten (p.59)
Uit piëteit, geestelijke slonzigheid en berekening laat men de filosofie in een steeds nauwer academisch kader voortploeteren, en streeft er zelfs daar voortdurend sterker naar, haar door de georganiseerde tautologie te vervangen. Wie zich aan de ambtelijke diepzinnigheid toevertrouwt, valt evenals honderd jaar geleden ten prooi aan de dwang ieder ogenblik even naief te zijn als de collega’s van wie de carrière afhangt. Maar het buitenacademische denken, dat zich aan zulk een dwang en de tegenstelling tussen hoogdravende thema’s en bekrompen-burgerlijke behandeling zou willen onttrekken, dreigt een nauwelijks geringer gevaar: door de economische druk van de markt, waarvoor in Europa althans de professoren beschermd waren. De filosoof als schrijver die in zijn levensonderhoud wil voorzien, moet als het ware ieder ogenblik iets piekfijns, iets uitgelezens bieden, zich door het monopolie der zeldzaamheid tegenover dat van het ambt handhaven. Het weerzinwekkende begrip van de geestelijke lekkernij, dat pedanten hebben uitgedacht, komt uiteindelijk bij hun tegenstanders nog tot zijn beschamend recht. Als de goede oude broodschrijver steunt onder de eis van de dagbladchef dat hij alleen maar briljante dingen moet schrijven, dan verkondigt hij in alle onbevangenheid de wet die stilzwijgend achter de werken over de kosmogonische Eros en de kosmos Atheos, de gedaanteverandering der goden en het geheim van het Johannesevangelie heerst. De levensstijl van late bohèmien die de niet-academische filosoof wordt opgedrongen, brengt hem trouwens in een fatale affiniteit met kunstnijverheid, kitschachtige diepzinnigheid en sektarische half-ontwikkeling. Het München van voor de Eerste Wereldoorlog was een broedplaats van dat soort geestelijk leven welks protest tegen het rationalisme der scholen via de cultus van het gekostumeerde feest zo mogelijk nog sneller in het fascisme uitmondde dan het angstvallige systeem van de oude Rickert. De macht van de voortschrijdende organisatie van het denken is zo groot, dat ze hen die erbuiten willen blijven, tot de nietigheid van het ressentiment, de babbelzucht van de zelfaanprijzing en tenslotte de zwakkeren tot oplichterij drijft. Wanneer de hoogleraren de grondstelling ‘Sum ergo cogito’ formuleren en tot het open systeem van de pleinvrees, tot de geworpenheid der volksgemeenschap vervallen, verdwalen hun tegenstanders, als ze niet al te zeer op hun hoede zijn naar het gebied van grafologie en ritmische gymnastiek. Wat ginds de dwangtypen zijn, zijn hier de paranoici. De smachtende tegenhanger van het feitenonderzoek, het rechtmatige bewustzijn dat in het sciëntivisme het beste vergeten is, komt als naief de splitsing ten goede waaronder het lijdt. In plaats van de feiten te begrijpen waarachter de anderen zich verschansen, graait het daarvan datgene bijeen wat zich in der haast aanbiedt, gaat op de vlucht en speelt met apocriefe vormen van kennis, met een paar geïsoleerde en gehypostaseerde categorieen en met zichzelf zo onkritisch, dat dan ook nog de verwijzing naar de onvermurwbare feiten gelijk krijgt. Juist het kritische element raakt het schijnbaar onafhankelijk denken kwijt. De nadruk op het onder de schaal verborgen wereldgeheim, die eerbiedig de betrekking tussen dit geheim en de schaal onbeslist laat, bevestigt ten overstaan daarvan heel vaak juist door deze onthouding, dat ze toch haar reden van bestaan heeft, die men zonder vragen moet aanvaarden. Tussen het behagen in de leegte en de leugen van de volheid, laat de heersende geestesgesteldheid geen derde mogelijkheid meer toe.
Desondanks is de aandacht voor het ver verwijderde, de haat jegens banaliteit, het zoeken naar het niet-afgetrapte, naar hetgeen nog niet in het algemene begrippenschema is opgenomen de laatste kans voor het denken. In een geestelijke hiërarchie, die onophoudelijk ieder ter verantwoording roept, is alleen onverantwoordelijkheid in staat de hiërarchie rechtstreeks zelf aan te spreken. De circulatiesfeer, welker merktekens de intellectuele buitenstaanders dragen, opent voor de geest, die door haar wordt versjacherd, de laatste toevluchtsoorden op het moment waarop deze eigenlijk in het geheel niet meer bestaan. Wie een unicum aanbiedt dat niemand meer kopen wil, komt, zelfs tegen wil en dank, voor de vrijheid van ruil op.

Comments